De droom en het verlangen in Omarm van Bløf

blofVandaag opnieuw een gastbijdrage op deze blog. Ditmaal van Nout van den Neste, over wie ik afgelopen vrijdag zelf een stuk heb geschreven. Daarin werd dit verhaal al aangekondigd. Van den Neste onderwierp de teksten van het album Omarm aan een nadere beschouwing.  Die zijn impressionistisch en dromerig, concludeert hij. Daarna heeft de werkelijkheid steeds meer zijn intrede gedaan in de teksten van Peter Slager. De beschouwing van Nout: Ook al zijn droomwerelden en verlangens terugkerende thema’s doorheen het werk van Bløf, nergens worden ze zo expliciet beschreven als op Omarm (2003). Zo wordt de sfeer onmiddellijk gezet met 'De Mooiste Verliezers', waar de avond, of een voorstelling van de avond, centraal staat. Het zet de toon voor wat waarschijnlijk (tekstueel) het meest dromerige album van Bløf zou worden. “Ik wacht op je vanavond/Je zult me zien/Ik zal er zijn/De mooiste verliezers/Dat zijn wij” In 'De Mooiste Verliezers' is de avond die komt een vooruitzicht op berusting en aanvaarding: “Je weet nog steeds niet wat je zocht/Maar wel wat je bent kwijt geraakt/Het is oké”. Hier dient de liefde die in het refrein wordt verklaard, “Ik wacht op je vanavond”, als tegenhanger voor alle twijfels, de gemiste kansen en de zekerheid dat het leven eindigt met de dood: “Dat je achterblijft met niets/Is een harde zekerheid/En de grond verandert nooit”. Er rest hen dus niets anders dan troost te vinden in de liefde, bij elkaar: “De mooiste verliezers/Dat zijn wij”. De liefde hier is als een horizon of bestemming, de belofte van de avond die nog moet komen. Het is overigens opmerkelijk hoe vaak de nacht of de avond de setting is voor het openingsnummer van verschillende platen. Zo is er 'Altijd Vanavond' uit Naakt onder de hemel (1995), 'Laten We Gaan Dan' uit Helder (1997), 'De Mooiste Verliezers' uit Omarm of 'Maan En Sterren;  uit Alles Blijft Anders (2011). Het lijkt erop dat doorheen het oeuvre van Bløf de nacht en het innerlijke leven, positief of negatief, elkaar ontmoeten, een moment waarop enerzijds alle wegen tegelijk openliggen in de roes van de droom en je anderzijds geconfronteerd wordt met alle gemiste kansen en de voorbijgegane tijd. De avond en de nacht zijn al lang terugkerende thema’s in het werk van Bløf, met name tot en met Omarm. In de beginjaren dient de nacht nog als decor voor drinkgelagen en het oog in oog staan met gemiste kansen ('Laatste Ronde', 'Helder', 'Liefde En Drank, 'Het Is Laat'), of het optreden en toeren ('Rijden Door De Nacht'). In 'Monsters Slapen Nooit' is de nacht dan weer de impliciete achtergrond voor de rusteloosheid en constante (existentiële) twijfel van de verteller, in dat opzicht een voorafspiegeling van 'De geest'. Het valt ook op hoe vaak op Omarm de avond of de nacht met de liefde wordt geassocieerd, niet alleen in 'De Mooiste Verliezers', maar ook in 'Ten Westen Van De Zon' en in 'De Geest', nummers die stuk voor stuk een verlangen naar liefde op verschillende manieren uitdrukken. “Dus laten we net doen/Alsof we daar lopen/De hemel breekt open voor de allerlaatste keer/En wij fantaseren onszelf daar naar binnen” Nergens is de grens tussen dromen en liefde dunner dan in 'Dat wij dat zijn'. Daar verkiest het koppel in de brug van het lied de droomwereld boven de werkelijkheid. Zij leven in de illusie van een wilde, passionele liefde die er niet (meer) is: “wij fantaseren onszelf daarnaar binnen”. Doorheen het lied is er een groot contrast tussen het koppel, de collectieve wij-verteller, en de passie, de liefde die zij in een koppel op straat observeren. Hun beeld van dat koppel is echter ook idealistisch en verstoord: “Ze lijken gelukkig en vrij” klinkt het in de eerste strofe of “Hun armen verstrengeld onder haar jas/Het moet er wel warm zijn en vochtig en zacht” in de tweede strofe. Hun desillusie, de ontgoocheling in hun eigen liefde heeft niet alleen te maken met een bekoelde relatie, maar ook met een onwerkelijk, geïdealiseerd beeld van de liefde waar ze nooit aan zullen voldoen. Zo hebben ze zichzelf buitengesloten uit de werkelijkheid en in de brug blijkt dat ze daar eigenlijk zelf voor gekozen hebben: hun banning uit de werkelijkheid ís hun eigen droomwereld, tegelijk redding en vloek, een zelfbedachte, utopische opvatting van de liefde die daarom enkel maar ontgoochelt in de realiteit. Ook 'Barcelona' worstelt met een droom en vooral met het loslaten ervan. Het is de beschrijving van een visioen in Barcelona van iemand die er niet meer is, in dit geval, Chris: “Meer dan eens dacht ik dat ik je zag in deze stad/Dat je ergens heel even op me wachtte/Aan een tafel in het midden/Maar toen ik goed keek was er niets/Een visioen breekt zo in twee bij een gedachte”. Na het visioen daagt het ontgoochelende besef dat er eigenlijk helemaal niets (tastbaars) is, niet in Barcelona en misschien zelfs niet na de dood: “Van noord naar zuid en nergens iets te halen/En ik wist dat ik voorgoed veranderd was”. “En wat doe ik, dagdromer van beroep?/Kom in mijn nacht/Kom bij me liggen” 'De geest' geeft dan weer een verlangen aan om in een droomwereld te verdwijnen: “Ik zie scherper en scherper/Dan zie ik niets meer/Heel even maar/Ik noem het geluk/Het grote geluk van de geest”, of “De slaap laat me wachten/Dus ik fantaseer/Mijn wereld zoals die ook werkelijk is”, een zin waaruit je zou kunnen afleiden dat op dat moment de bewust gefantaseerde wereld werkelijkheid geworden is. Tegelijk heerst er ook het tegenstrijdige besef van de futiliteit, het besef dat dromen niets waarmaken: “En wat doe ik,/Dagdromer van beroep?”. De existentiële twijfel en de rusteloosheid die de verteller wakker houden, hoopt hij te verzachten door de liefde: “Kom in mijn nacht/Kom bij me liggen/En waak met me mee/Geef me de geest”. In de allerlaatste, afsluitende strofe door Thé Lau gezongen, klinkt het: “Breng me de tijd in een fles”, het idee van de tijd als iets dat opgedronken kan worden, de tijd als een verinnerlijkte ervaring. “De geest” drukt niet enkel een verlangen uit om getroost te worden door de liefde en niet alleen te moeten wakker blijven, het lied is ook een verlangen naar het voorbijgaan van de tijd, naar acceleratie, naar bestáán, naar het leven dat de verteller buitensluit waardoor de tijd vertraagt: “Hoe minder ik slaap/Hoe dieper ik droom/De dagen gaan trager totdat ze stilstaan/En loom denk ik dat ik weet wat het is”. Als de verteller van 'De Geest' in een droom en in de volheid van het leven zelf wil verdwijnen, dan zit de verteller van 'Onmogelijk Rood' vast in een kolkende nachtmerrie van verlangen naar een onmogelijke liefde: “Ik merk als in een droom/Dat ik hier niet ben/Je hoeft me niet te wekken/Ik ben wakker en bewust”. Ook al is hij zich bewust van hoe onmogelijk en gedoemd de liefde is, “Met elke zon die opkomt/Drijf je verder weg van mij”, toch kan hij het niet loslaten: “Met elke zon die opkomt/Blijf je op je plaats in mij”. De zenuwachtige spanning van de neerwaartse spiraal in de strofes vindt zijn tegenhanger in de stormachtige, elektrische oerkreet van het refrein. Niet alleen tekstueel maar ook muzikaal klinkt Omarm bijzonder dromerig en onvatbaar: 'Bougainville' heeft met zijn ongewone songstructuur, de sprankelende piano en de bandoneon veel weg van een dagdroom in het zuiden van Frankrijk terwijl 'Misschien Niet De Eeuwigheid' in al zijn zomernamiddag-loomheid doet denken aan het beste van Van Morrison. 'Ik Denk Dat Ik Ga Lopen' deelt samen met 'De Mooiste Verliezers' dan weer een bepaalde ruimtelijkheid in productie en 'De Geest' behoort dan weer tot het ongrijpbaarste dat Bløf al opgenomen heeft. Na Omarm zijn de platen van Bløf steeds stevig(er) geworteld in de werkelijkheid, de maatschappij en de details van het persoonlijke leven. Sinds Umoja is er een duidelijke tekstuele ontwikkeling weg van het zuiver poëtische, richting maatschappelijke thema’s en realisme. Omarm is misschien wel één van Bløfs meest panoramische, impressionistische albums. Het was een album waarop Bløf de dunne grenzen tussen droom en liefde verkende en besloot dat er soms weinig of geen verschil was. Bovenstaande foto is genomen tijdens het optreden van Bløf tijdens Concert at Sea, afgelopen zaterdag. Wij je alles over het festival nog eens nalezen en -kijken ga dan naar de blog die Omroep Zeeland en de PZC over CAS2013 bij hebben gehouden.    
This entry was posted in Nieuws, Omarm and tagged , , , . Bookmark the permalink.

5 Responses to De droom en het verlangen in Omarm van Bløf

  1. Mooie gastbijdrage over het album “Omarm” die zeker de moeite waard is om te lezen!

  2. Arendo Schipper says:

    Hele mooie analyse en zo herkenbaar. Ben benieuwd wat Nout van mijn favoriete Blof-nummer vindt: Waar de oceaan begint …

    • Nout says:

      Beste Arendo, goh, Waar de oceaan begint… Ik meen me te herinneren dat de band zelf het geen sterkhouder vindt en ik ben eigenlijk dezelfde mening toegedaan. Het past mooi in het concept van “water” op dat album van “Watermakers” en de opbouw vind ik nog steeds erg knap (die basgitaar aan ’t begin), maar mja, ik heb er vrij weinig tot niets mee. Waarom is het jouw favoriete nummer, als ik vragen mag?

  3. Mar says:

    Prachtig stuk geschreven over het album dat mijn liefde voor Bløf echt maakte. Ik hou zo van de poëzie, de melancholie. De liedjes met prachtige oneliners waar je uren over na kan denken. Ja, misschien is Omarm toch wel mijn favoriete album…
    Nout, bedankt voor je mooie stuk.

  4. Peterlien says:

    “Omarm is misschien wel één van Bløfs meest panoramische, impressionistische albums. Het was een album waarop Bløf de dunne grenzen tussen droom en liefde verkende en besloot dat er soms weinig of geen verschil was…”
    Nou, Peter… Het zal je maar gezegd worden! 🙂
    Mooie analyse, meneer Nout. Dank daarvoor.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *