Eterna saudade, heimwee voor altijd

Een maand geleden kreeg ik een mail van Nout van den Neste. Sinds een jaar woont hij in Lissabon waar hij vergelijkende literatuurwetenschap studeert. Dat is een direct gevolg van zijn interesse voor de muziek van Bløf. Via Watermakers raakte hij geïnteresseerd in de poëzie van Slauerhoff. Later kwam daar Cristina Branco nog bij, die niet alleen met Bløf heeft gezongen (zie de video) maar ook gedichten van Slauerhoff op muziek heeft gezet. Van den Neste werkt nu aan een thesis over Slauerhoff en fadomuziek. Hij is zo vriendelijk geweest een gastblog te schrijven over de link tussen Bløf en Slauerhoff. Zijn prachtige beschouwing vind je hier:  Dat Bløf zich op het album Watermakers door Slauerhoff had laten beïnvloeden, is duidelijk zichtbaar in liedjes als ‘Watermakers’ of ‘Heimwee’. Jan Jacob Slauerhoff was een belangrijke schrijver uit het Interbellum die bij het grotere publiek vooral bekend staat voor zijn Romantische poëzie – hij was een scheepsarts, een productieve schrijver die zich zowel aan Romantische poëzie als surrealistische kortverhalen en complexe romans waagde, een rusteloze wereldreiziger die tegen wil en dank telkens opnieuw zijn kleinburgerlijk Nederland verliet op zoek naar ongekende vertes, van Marrakech tot Buenos Aires en, als astmaleider vaak geplaagd door een zwakke gezondheid, ook daar geen rust vond, maar weer terug verlangde naar Nederland. Zo staat er in zijn gedicht ‘Wooningloze’: Alleen in mijn gedichten kan ik wonen, Nooit vond ik ergens anders onderdak; Voor de eigen haard gevoelde ik nooit een zwak, Een tent werd door den stormwind meegenomen. Heimwee en onvervuld verlangen – dan wel naar verre zeeën, dan wel naar de stabiliteit van Nederland – staat centraal in zijn oeuvre. Het mag dan ook geen wonder heten dat toen Slauerhoff in Lissabon aankwam, hij één plek van de weinige plekken vond waar hij zich thuis voelde. Lissabon was een stad die in de middeleeuwen een cruciale rol speelde in de ontdekkingsreizen en routes naar het oosten (wat tot zijn verbeelding sprak), de stad waar ook zijn inspiratiebron, de éénogige dichter Camoes, lange tijd had geleefd, en vooral de stad van saudade en fadomuziek. In de bochtige, Moorse steegjes van de oude labyrintische wijken Mouraria en Alfama vond Slauerhoff troost want daar, zo schrijft hij in zijn gedicht ‘Fado’: “kom ik vele’ als mijzelve tegen/Die leven zonder liefde, lust, hoop…”. Fado, waarvan de oorsprong nog steeds niet helemaal achterhaald is, plaatst het gevoel van saudade centraal. Het is een gevoel dat onvertaalbaar is, maar dat in de buurt komt van onophoudelijke heimwee waaruit troost, verachting, verlangen en berusting voortvloeien – het heeft hoe dan ook iets fatalistisch omdat de gemiddelde, traditionele fadotekst ervan uitgaat dat deze rusteloosheid onontkoombaar is; de passionele fadoteksten en de dramatische voordracht impliceren een “groots en meeslepend leven”. Het zit al in het woord fado zelf, dat uit het Latijns afkomstig zou kunnen zijn, ‘fatum’, wat zoveel wil zeggen als noodlot. Het is dan ook geen toeval dat je op menig Portugese grafsteen de woorden “Eterna saudade” gekerfd ziet staan - het is fundamenteel voor de Portugese identiteit. Het komt ook terug in de Braziliaanse muziek, hoewel minder prominent, en in Kaapverdische Morna-muziek, een exotischer variant op de fado waarvan 'Sodade' van Cesaria Evora een absoluut hoogtepunt is. Dat fado louter pessimistisch zou zijn, is jammer genoeg een grove misvatting. De liedjes, traditioneel begeleid door een Portugese gitaar waarin je duidelijk een Arabische invloed kunt horen, en een ritmische, akoestische gitaar, zijn eerder passioneel dan zwartgallig, maar altijd vol overgave aan alle gevoelens die worden uitgedrukt (zowel frivoliteit als vrolijkheid of trots of simpelweg liefde voor de buurten en steegjes van Lissabon). Luister maar naar 'Uma casa Portuguesa' van Amalia Rodrigues, een lied over de schoonheid van het leven in Portugal. Dat Bløf en fadozangeres Cristina Branco voor zowel ‘Dansen aan zee’ als ‘Herinnering aan later’ hebben samengewerkt, is niet meer dan een gepast (en duizelingwekkend mooi) eerbetoon aan Slauerhoff en zijn levensloop aangezien Cristina Branco in 2000 het album O Descobridor (‘De ontdekker’) heeft uitgebracht, een album met elf naar het Portugees vertaalde gedichten van Slauerhoff en daarna vakkundig door Custódio Castelo op fadomuziek gezet – vooral het lied ‘O engeitado’ is een absoluut hoogtepunt dat zijn weerspiegeling vindt op het einde van het album wanneer Cees Nooteboom de oorspronkelijke versie voorleest, begeleid door Portugese gitaren. Verdoemde liefdes en onbeantwoorde verlangens, ook fundamenteel onderdeel van saudade dan wel als oorzaak of gevolg, vind je niet alleen terug in Slauerhoff of fado, ook in het werk van Bløf komt het af en toe terug, (Maar wie zoekt en niet vindt / vraagt om weemoed en dorst / en beide zijn even verslavend, klinkt het in 'Watermakers') maar nergens sterker of mooier dan in ‘Herinnering aan later’. Daar gaat het over een saudade naar morgen, naar de toekomst toe - een onvervuld verlangen, een gebrekkige belofte om ooit weer samen te zijn. Het lied heeft de vorm aan van een gesprek tussen twee geliefdes. De vrouw spreekt in de eerste strofe het verlangen uit om een manier te vinden om dichter bij hem te komen, iets wat ook weerspiegeld wordt door de man in de tweede strofe, maar de man lijkt fatalistischer, ziet dat het onmogelijk is om dicht bij haar te zijn: “Ik kan alleen maar bij je komen/In de dromen voor de boeg”. In de brug blijkt pas echt een hoe diep de kloof tussen de twee geliefden is. Terwijl Cristina Branco “Deixa me ao lar” (Laat me thuis) zingt, verklaart de man een verlangen naar vrijheid: “Nooit meer naar huis/Alles blijft vrij/Daken en dekens betekenen niets meer voor mij” en besluit om dit onvervulde verlangen naar haar niet achterwege te laten of op te geven, maar mee te nemen in de ongekende vertes, de rusteloosheid die hij zelf heeft opgezocht: “Het is omgekeerde heimwee/En de belofte van de zee/En dat verlangen neem ik mee”. De relatie lijkt gedoemd te zijn door zijn eigen rusteloosheid die hij niet kan verhelpen, hoezeer hij haar ook mist en hoe graag hij ook bij haar wil zijn (“Tussen jou en mij ligt de oudste brug ter wereld/Ontmoet me halverwege”). Hier lijkt de tekst op maat van Slauerhoff geschreven. Één van zijn mooiste gedichten, ‘Voor de verre prinses’ gaat net zozeer over een onbeantwoorde liefde: “Uw land is zoo ver van mijn land verwijderd: Van licht tot verste duisternis - dat ik Op vleuglen van verlangen rustloos reizend, U zou begroeten met mijn stervenssnik. Maar als het waar is dat door groote droomen Het zwaarst verlangen over wordt gebracht Tot op de verste ster: dan zal ik komen, Dan zal ik komen, iedren nacht.” In de fadoteksten, die Slauerhoff bestudeerde en waar hij zonder bronvermelding ook gretig leentje buur bij speelde, vond hij iets van zichzelf terug. In ‘O Engeitado’ (letterlijk vertaald als de verworpene, de verstotene) schrijft hij: “Ik bewandel ’s middags de prado’s En ’s avonds hoor ik de fado’s Aanklagen tot diep in den nacht: “A vida é immensa tristura” Ik voel mij al samensnoeren Met de kwaal die zijn tijd afwacht” Diezelfde fatalistische, ongeneeslijke rusteloosheid vind je terug in ‘Watermakers’: “Ik ben mezelf wel genoeg/Zoveel spijt voor de boeg/Toch voel ik me beter dan vroeger/Ik zoek een eiland in tranen/Mijn voeten op jouw diepe grond/Was het zout uit mijn wond bij een zuivere bron/Dus open voor mij alle kranen. Gezien het beeld van watermakers, dat je kan interpreteren als een boot die water maakt, lijkt het twijfelachtig dat de liefde het zal overleven. Het doet denken aan ‘Vida Triste’ van Slauerhoff: “Weer zocht tevergeefs aan jouw borst/Mijn gemartelde hart zijn rust/Dat wil troost voor brandende dorst/En wordt niet gelescht door lust”. Het album ‘Watermakers’ sluit af met ‘Heimwee’: “Vreemd dat ik dacht/Dat alles mooi zou worden/Als ik wegging/Weg van huis/En dat ik dan echt vrij zou zijn/Zonder thuis”. Het is een mooie samenvatting van wat Slauerhoff keer op keer meemaakte, zijn verlangen naar vreemde landen en verre reizen, werd heel vaak eenmaal hij op zee was gestelpt door een even sterk verlangen naar Nederland – soms omdat hij daar een vriendin achterliet, vaak omdat hij daar meer kans had op een goede behandeling voor een al te zwakke gezondheid (hij stierf dan ook aan tuberculose op zijn 38e). “Vreemd dat ik hoop/Dat alles goed zal komen als ik terugga/Terug naar huis”, klinkt het. De brug die de verteller probeert te leggen terug naar zijn geliefde, zo weet hij, net zoals Slauerhoff daar zo vaak uitdrukking aan gaf, is al van op voorhand gedoemd om in te storten: “Maar dat is tegen beter weten in/Want ik heb heimwee voor altijd”, of om het in het Portugees te zeggen: “eterna saudade”. Je kunt er niet aan sterven, alleen maar mee leren leven, of er op zijn minst over zingen.
This entry was posted in Watermakers and tagged , , , , , , , , . Bookmark the permalink.

5 Responses to Eterna saudade, heimwee voor altijd

  1. Ingrid says:

    Dank voor de prachtige verwoording! De extra dimensie die zo is gegeven aan Herinnering aan later is een waardevolle. Canta Slauerhoff is niet meer weg te denken uit mijn cd-rek. Alles aan die cd is mooi en doordacht.
    Vorig jaar Branco met orkest in het nieuwe Luxor. Een bijzonder mooie avond waar alles op zijn plekje viel. Waar mensen uit het publiek spontaan elkaar bijvielen in de oh’s en ahh’s na afloop. Want verder was de zaal muisstil.
    De bescheidenheid van Branco siert haar. Wanneer je vervolgens rond kunt wandelen in Portugal voel je de sfeer van de Fado rondom je.
    Het mag al te gevoelig dan wel overdreven (zweverig) klinken… Het doet mij als nuchtere Hollander beseffen dat muziek heel veel toegevoegde waarde biedt.

  2. Kristine Van Den Neste says:

    That’s my boy! Hij kan het inderdaad allemaal zo mooi, literair, poëtisch en toch duidelijk verwoorden. Waarschijnlijk omdat hij ook met dit ‘saudade’-gen geboren is. Zijn eigen poëtisch werk verraden dit. Hieronder één van zijn werkjes (als ma vond ik dat ik me die vrijheid mocht veroorloven).

    ONDERWEG: BEGONIASTRAAT

    Onderweg zag ik een huis,
    de ramen stonden uitgeslagen open
    de scharnieren die zeurden
    en de verf bleef als pastelroos zand
    aan mijn verdwaalde vingers kleven.

    Ik stond onder bloeiende magnolia’s
    op een rij bevroren
    en in de hal achter de open deur
    liepen twee katten vastgebeten
    in elkanders staart
    een perfecte cirkel
    rond mijn rillende moeder

    en ik zag een glimp
    van de woonkamer
    en foto’s van iedereen
    die daar had kunnen wonen;

    bewaard in een nachtkastje
    lag de tand van een baby,
    dat betekende iets over mij
    en waar ik vandaan gekomen was
    volgens mijn moeder

    die mijn kleren droeg
    die mijn gezicht kuste
    die zei elkaar ontmoeten we nog
    en ik wachtte in haar armen
    op de drempel en ging weer
    voorbij als tijd.

  3. Ronald de Klerk says:

    Nou die Noud weet het wel te schijven 🙂
    Zeker stuk over “Herrinering Aan Later” komt goed over en geeft wel een extra dimensie aan het nummer, chapeau!

  4. Mooie en interessante link tussen fado en Slauerhoff en hoe dat dan weer een link met Bløf heeft

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *